De presentatie behandelde drie elementen:
- digitalisering;
- SPAR;
- bewaring van websites.
Digitalisering. Eerste observatie: het feit dat Google zich op de markt van digitalisering heeft geworpen, was in Frankrijk een événement moteur voor de Franse staat om zwaar te investeren in digitalisering. De BnF is dus niet in zee gegaan met Google (of in de Google-koffer/scanner gedoken), maar heeft een eigen programma ontwikkeld (eigenlijk heel wat programma's). Daarbij is het basisprincipe: scans die gemaakt worden zijn master scans die als bewaarkopie bewaard worden (bij de eerste ideeën voor digitalisering in Frankrijk was het echter eerder omgekeerd: scans zouden vooral worden gebruikt voor raadpleging). Dat betekent in de praktijk dat er hoogwaardige scans worden gemaakt. Van die scans worden dan gebruikerskopieën gecreëerd die op hun beurt in GALLICA - de digitale bib van de BnF terecht. Er worden zelfs vier gebruikerskopieën gemaakt, allemaal met verschillende afmetingen. Wil een gebruiker een hoogwaardige kopie, dan kan die tegen betaling bij de BnF aangeschaft worden (er wordt dan een kopie van de masterscan geleverd). De laagwaardige raadplegingsscans zijn gratis.
Na een korte geschiedenis van digitaliseringstrajecten bij de BnF werd er met behoorlijke diepgang gepraat over de gekozen bestandsformaten, kleurdiepte en resolutie. Zoals altijd als het over gedigitaliseerd materiaal gaat, werd er gediscussieerd over compressie en de wenselijkheid ervan en de verschillen in die compressietechnieken.
Allemaal bijzonder boeiend, maar toen de presentatie over SPAR ging, luisterde ik toch nog iets aandachtiger. Van SPAR had ik reeds gehoord op het DLM congres in Toulouse in december 2008. Toen hadden twee mensen van ATOS een presentatie over SPAR gegeven. Die was op zich goed gebracht, maar inhoudelijk vond ik die toen niet zo sterk. Deze presentatie over SPAR vond ik persoonlijk beter. De spreker ging vrij uitgebreid in op de projectstructuur en de aanpak binnen het project (ter info: SPAR is een project van enkele miljoenen euros, waarvan stockage het grootste gedeelte opslorpt). Daarna werd de eigenlijke applicatie besproken. Eerst en vooral, SPAR is modulair; een module kan dus gecreëerd worden of een bestaande module kan vervangen worden door een nieuwe. In de praktijk betekent dit dat de ontwikkelaars nogal wat tijd besteed hebben aan de connecties tussen die diverse modules. Er is nog geen echte Preservation Planning module in SPAR, maar wel reeds heel wat metadata (hoe kon het ook anders?). Wat me opviel, is dat er ook hier een pre-ingest of dus pre-versement fase is (zoals ik dat ook voor het Nationaal Archief meen opgevangen te hebben), waarin de SIPs voorbereid worden voor ingest in het e-depot. SIPs die bijvoorbeeld niet voldoen aan de eisen zoals die in de SEDA uitwisselingsstandaard gespecifieerd zijn, moeten in die pre-versement fase 'verrijkt' of aangepast worden. Toen ik vroeg hoe in die fase dan de integriteit van dit alles gegarandeerd wordt, kwam het antwoord dat dit buiten de scope van het SPAR project valt (ik vermoed dat er in de praktijk procedures voorzien moeten worden waarin wordt aangegeven wie wat hoe mag aanpassen, maar dat werd niet bevestigd). Binnen het systeem wordt er -buiten alle controlemogelijkheden die er al zijn door logging (via journals)- ook nog een empreinte numérique of dus een digitale stempel toegevoegd, en dit op het niveau van de AIP en de fichier of file (met een MD5 hashcode).
In SPAR worden maximaal drie versies van een stuk bewaard, de oorspronkelijke versie, de voorlaatste versie en de laatste versie. Alle versies tussen de oorspronkelijke en de voorlaatste worden vernietigd, maar dit is -gezien de jonge leeftijd van het systeem dat nog moet opgeleverd worden...- nog niet in de praktijk toegepast. Dit is overigens dezelfde benadering als in PIL@E.
Daarna kwam de bewaring van websites aan bod. De BnF doet dit op twee manieren. Enerzijds worden alle websites in Frankrijk bewaard, maar niet de gehele website, maar slechts enkele niveaus van de website (bijvoorbeeld de drie hoogste niveaus). Anderzijds zijn er de zogenaamde collectes ciblés of doelgerichte acquisities. Die wordt door een groep van 5 BnF medewerkers gestuurd en door een 80-tal correspondenten (elk experten in een vakgebied) gevoed. De experten bepalen welke websites van belang zijn in een vakgebied en die websites worden dan volledig geoogst. In de praktijk betekent dit dus dat alles oppervlakkig bewaard wordt en slechts de 'waardevolle websites' worden vrij volledig bewaard. Bij elke verkiezing in Frankrijk worden bijvoorbeeld allewebsites van partijen en kandidaten bewaard. Als archivaris ben ik dan bijzonder geïnteresseerd hoe die waardevolle websites gekozen worden (het gaat hier immers om een selectie), maar ik heb die vraag niet gesteld.
In december wordt de volgende oogst binnengehaald en men schat de grootte ervan op 3,3 miljoen websites met circa 100 miljoen url's.
Websites worden in Frankrijk overigens niet als publicaties die onder het wettelijk depot vallen (dat overigens wel expliciet geldt voor digitale publicaties) beschouwd. Vandaar dat websites niet gecatalogiseerd worden zoals publicaties.
Grappige noot i.v.m. websites. Websites die door de BnF aan het publiek ter raadpleging worden aangeboden, kunnen alleen in de leeszalen van de BnF geraadpleegd worden. Ze mogen slechts na 70 jaar écht vrijgegeven worden.
Men praat in Frankrijk wel eens (eigenlijk nogal veel) over dématerialisation om digitalisering aan te duiden; ik vraag me af hoe men dit gaat benoemen: consulta-locali-tion of iets dergelijks, je ne sais pas...
Enfin, tijd om te lunchen, en wonder boven wonder: we hadden iets meer dan een uur de tijd... Eindelijk eens in een restaurantje kunnen eten, en daaraan is er geen gebrek in le Marais. Er was zelfs nog tijd voor een kopje koffie. De Portugees dronk een halve petit café... dat is dus nog tweemaal straffer dan een gewone espresso... Rare jongens, die Porto-gezen...
De namiddag dan: presentaties over AS@LAE en E-Bourgogne. Het doet geen belletje rinkelen?
AS@LAE is een digitaal depot dat ontwikkeld wordt door ADULLACT. Die laatste organisatie is een software-ontwikkelaar en dienstenverlener aan Franse overheden. Daarbij is het niet onbelangrijk mee te geven dat alle software die ontwikkeld wordt open is, dat overheden geld geven om software te ontwikkelen en dus de gehele organisatie en het businessmodel gericht is op softwaredeling en inbreng van overheden van diverse niveaus (gemeenten, regio's, departementen, prefecturen, etc.)
Daarbij kan ADELLACT bij het gebruik van AD@LAE ingehuurd worden als diensten-leverancier, helpdesk, etc. Met andere woorden, AD@LAE is niet alleen software die kan gedownload worden op la GForge -zoals men hier zegt-, maar er is ook een organisatie die het ondersteunt (weliswaar tegen betaling, maar hoe meer instellingen er gebruik van maken, hoe kleiner de bijdrage wordt [ADELLUCT is een organisatie zonder winstoogmerk]).
Vooraleer ADULLACT begon met zelf een systeem te bouwen, werd er een marktstudie uitgevoerd (dat was in 2007-2008), met als belangrijkste besluit dat er nog geen bruikbaar platform was.
Aan de slag dus, en er volgde na enkele inleidende woorden een demo. In die inleiding werd er nogal wat nadruk gelegd op de aanwezigheid van een framework voor softwareontwikkeling. Software die zonder een framework gebouwd wordt, kan later immers moeilijk aangepast worden. Bij AS@LAE is het framework CAKE-PHP. Ik had al van beide woorden afzonderlijk gehoord, maar in combinatie waren ze mij nog onbekend. Gelukkig is er dan Google om het één en ander na te lezen...
Bij de demo had ik het ene na het andere déjà-vu gevoel. Heel wat vensters in de applicatie lijken op die van PIL@E en die van het e-depot. Zoals bij het e-depot van het Nationaal Archief (als ik dit juist opgevangen heb) was het definiëren van de diverse rollen en rechten, en de consequenties hiervan op de gehele applicatie, nogal gecompliceerd.
Er zijn vanzelfsprekend ook verschillen. Zo kunnen in AS@LAE (cf. PIL@E) metadata op twee manieren aangeleverd worden. Ofwel zijn ze mooi in een SEDA-conform xml document genoteerd en worden ze door de SEDA xsd's (de eerder vermelde metadata profielen) gevalideerd. Bij mislukte validatie worden de aangeboden stukken niet aanvaard. Ofwel worden de metadata (in de praktijk vooral de traditionele, beschrijvende metadata) handmatig in de applicatie toegevoegd. Het is nogal wiedes dat de eerste methode de voorkeur geniet...
Op het vlak van de workflows zoals die in het e-depot gedefinieerd zijn, heb ik de indruk dat AS@LAE niet zo uitgebreid is. Er is wel een toegangsmodule in de applicatie.
En wanneer is AS@LAE klaar? Op 8 december wordt de eerste versie opgeleverd. Kostprijs: minder dan 200.000 euro!
Na de demo volgde nog een laatste presentatie over e-Bourgogne. Zoals bij elke overheid wilde de Franse regio Bourgondië heel wat diensten elektronisch aanbieden. Hoewel de werkgroep zich oorspronkelijk niet bewust was van archiveringsnoden, werd dit toch mettertijd duidelijk. Daarom wordt er in het kader van dit initiatief, waarin in totaal 20 diensten voor de Bourgondische overheden ontwikkeld worden, ook een digitaal depot gecreëerd. ATOS is ook hier de ontwikkelaar (voor alle 20 diensten), en het project is dit jaar van start gegaan. In 2010 worden de functionele vereisten gedefinieerd... Zoals bij het Nationaal Archief moet er ook een verbinding ontwikkeld worden met de logiciels des archives, zeg maar DTNA, ABS-Archeion en NA4all. Het lijkt er echter op dat de software die in Bourgondië gebruikt wordt, de beschrijvingen (DTNA) en het beheer (ABS-Archeion) combineert (ik kan dit echter verkeerd begrepen hebben).
Bij deze presentatie viel het me ook nog op dat de archiefdiensten in Frankrijk nog steeds een grote vinger in de pap hebben bij het opstellen van de plans de classement. Lees: indien zij ze niet opstellen, dan zijn er geen ordeningsplannen... Ik heb nu echter al zoveel gehoord dat archiefdiensten (departementaal, bij bedrijven, bij de Mission des Archives in ministeries, etc.) geraadpleegd en gevraagd worden om een classificatieschema op te stellen, dat ik dit tot een trend of hype zou willen verheffen. Oh, nee, wacht even: ordenen, beschrijven en selecteren: de drie traditionele activiteiten van de archivaris: niets nieuws onder de zon, dus...
Ter afsluiting:
Uitspraak van de dag: ça fait du petit confetti... met betrekking tot de broosheid van negentiende eeuws papier dat voor kranten gebruikt werd, en bij raadpleging in mindere of meerdere mate beschadigd wordt.
Beeldspraak van de dag: maître-esclave om de verhouding tussen twee servers uit te drukken, waarvan er één de masterkopie bewaart, en de tweede een veiligheidskopie.
En vandaag ook nog een omgekeerde vertaling. De eerste vertaling van émulation is 'wedijver' of 'rivaliteit'; un esprit d'émulation is dus 'een geest van wedijver'. Een émule (m/v) is een rivaal/rivale...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten